In memoriam Guido Konings


In memoriam Guido Konings

Gedachtenprentje Guido Konings

Toen ik ergens in 1990 voor het eerst het huis aan de Groenweg 129 betrad, had dat veel weg van een exotisch avontuur, alsof je door de jassen achterin een kleerkast naar Narnia kruipt. Het begon al met het zoeken naar de bel want die bleek er niet te zijn. Enkel door het luiden van een heuse klok – kilometers ver te horen – werd je toegang tot het kasteel verleend. En toen gebeurden er vele dingen tegelijk en door elkaar.

Van in de verte kwam luid blaffend een gigantisch grote hond aangelopen, die zonder in te houden met zijn volle 45 kilogram tegen je kwam opgesprongen om je vervolgens onder kwijl te bedekken. Links en rechts schoten vier katten door het huis, in alle mogelijke kleuren en door de verschillende bewoners van het huis achterna gelopen en geroepen. Uit een torenkamer stegen luid buldergelach en een gitaarsolo op, in een ander vertrek werd een viool gepijnigd en nog ergens anders werd virtuoos een piano bewerkt. Tussen al die muziek en het lachen en roepen, het geblaf en het miauwen en het tsjilpen van één of andere bonte vogel door, ving ik ook nog eens flarden Westvlaams en Brabants op met hier en daar ook wat Limburgs. Toen ik bovendien bemerkte dat de muren vol schilderijen van de meest angstaanjagende, betoverde wezens hingen, wist ik dat dit wel Narnia moest zijn, of Neverland … of misschien wel Zweinstein.

In dat besef sloeg de schrik me om het hart, die eerste keer, want: ik had de machtigste bewoner van het kasteel nog niet ontmoet; de koning, de echte baas Konings; ongetwijfeld een reus-tovenaar die me terstond in een samenkleefbaar amfibieskelet zou veranderen om me naast alle andere van de zolder naar beneden te laten bungelen. Hoe groot was mijn opluchting toen die koning, Guido, een nogal kleine, gezellige, vriendelijk lachende en zachtmoedige Limburger uit Riemst bleek te zijn. Hij was het ultieme rustpunt van het huis, de nulmeridiaan, een soort van onbewogen beweger, zen-meester, bij wie het altijd goed toeven was.

Ludwig Wittgenstein wist het al: "Wovon man nicht sprechen kann, darüber muss man schweigen." Die wijsheid hield Guido als geen ander in ere: hij was een man van weinig woorden; een liefhebber van stilte en contemplatie, van nadenken en nuance; iemand die de diepgang van een tweede lezing naar waarde wist te schatten. Bedachtzaam als hij was liet hij zich nooit op een onbezonnen uitspraak betrappen. ‘Guido De Zwijger’ heb ik meermaals bedacht.

Eén anekdote in dit verband:

Toen ons huis eind jaren negentig gedurende meerdere maanden gerenoveerd werd, woonden wij telkens gedurende één week afwisselend bij mijn ouders en schoonouders en op die manier werden wij op beide plaatsen ongewild deelachtig aan het huiselijk avondritueel, en dus ook op de Groeneweg. Vooral aan de zaterdagavonden bewaar ik een sterke herinnering: na de repetitie van Organum (die tot 22.00 u. duurde) waren we net op tijd terug op de Groeneweg voor de uitzending van Sportweekend. Eens de auto thuis geparkeerd, werd er echt niet meer nagepraat over de repetitie, maar plantten we ons samen meteen voor de TV, de voeten op een voetbankje. Guido sprak slechts één vragend woord: “Pintje?” waarop ik al snel gewoon met “ja” leerde antwoorden, om dan veelal zwijgend naast elkaar naar de matchverslagen te kijken. Heerlijk was dat!

De Malinese schrijver Amadou Hampaté Bâ zei ooit: En Afrique, quand un vieillard meurt, c’est une bibliothèque qui brûle. (Een oude man die sterft, is een bibliotheek die afbrandt). Dat is voor Guido niet anders; hij was ongelooflijk erudiet, was thuis in bijbelteksten en droeg via de architectuur en de muziek een enorme culturele bagage met zich mee. Die kennis en voorliefde stonden echter in geen geval zijn wekelijkse lectuur van weekblad Humo in de weg; daarin las hij niet enkel de reportages, maar genoot hij ook volop van de grappen en cartoons. Guido was immers een man met veel en een goed gevoel voor humor, gekoppeld aan een hoge dosis zelfrelativering.

Hij was de beste schoonvader die ik me kon wensen; in hem vond ik een zielsverwant.

 

Zelf ben ik nooit een Orgelpijp geweest, een zonde die enkel kon worden uitgewist door jarenlang elke zaterdagavond naar de repetitie van Organum te trekken. Een geluk dat ik dat ook gedaan heb, want daar heb ik echt leren samen-zingen. Het was een nieuwe wereld die Guido heel genereus en geduldig voor mij opende, met zowel geestelijke als profane muziek, oudere en moderne muziek… Hij leerde me luisteren naar anderen met aandacht voor alle mogelijke evenwichten en onevenwichten in het koor. Een werk dat nooit af is.

Het was ook mooi om zien hoe hij tijdens het dirigeren zelf intens kon genieten van de muziek. Soms dirigeerde hij met de ogen dicht, en toen het met leeftijd al wat moeizamer ging, kwam er steevast ook een glimlach bij. Met de jaren bleef weliswaar zijn slag telkens wat meer achterop bij het tempo, maar zijn engagement en glimlach bleven onaangetast.

Ik wilde hier nog veel meer zeggen over wat Guido met de muziek allemaal gerealiseerd heeft, maar als ik naar dit overweldigende eerbetoon achter mij kijk, dan zijn woorden overbodig om dat wonder te beschrijven. Hoeveel kinderen heeft hij dankzij de muziek nieuwe werelden zoals die van Narnia of Neverland laten ontdekken? Het zijn er honderden en honderden, van wie er velen vandaag nog de koren in en rondom Leuven bevolken. 

Met zijn ziekte werd alles steeds moeizamer, en toch is Guido als een echte dirigent gestorven.

De laatste pagina van zijn levenslied heeft hij immers a.h.w. zelf weer in handen genomen, waarbij het voor iedereen rondom hem zaak was om goed naar de dirigent te blijven kijken. Het was een aartsmoeilijke passage die hij nog in petto had, een laatste testje, zeg maar, of misschien wel een schalkse streek om te zien wie hem kon volgen…

Want zo traag en bedachtzaam als hij gewoonlijk was, zo snel was hij op het einde. Geheel onverwacht heeft hij in zijn laatste uren immers nog een fameuze tempoversnelling gedirigeerd: plots ging alles alla breve, in het dubbele van het tempo. Het rustig kabbelende adagio dat we van hem gewoon waren was ineens een koortsig allegro.

Het geniale was dat hij die move deed temidden van een lang volgehouden diminuendo, die enkel in de voorlaatste maat nog onderbroken werd door un sospiro molto espressivo…, zijn laatste zucht. In de allerlaatste maat tenslotte: géén pompeus slotakkoord, maar veeleer zichzelf verliezend … perdendosi …, gestaag verder afdalend naar de stilte; haast ongemerkt wegebbend … smorzando … tot het onvermijdelijke: morendo …, het uitsterven van klank en adem. Wat hij daar neerlegde was een ultieme, perfect uitgevoerde diminuendo al niente… die hem tot in het hart van de door hem zo geliefde stilte, het definitieve zwijgen heeft gevoerd. Het was een waardig slotstuk van een prachtig en rijk gevuld leven.

Voor dat moeilijk slotstuk, maar meer nog voor het mooie concert dat zijn hele leven was, kan ik Guido – vake – alleen maar oprecht bewonderen. En zoals het past na een schitterend concert – en meteen ook voor de ontelbare concerten die hij hier in deze kerk of elders voor ons heeft gebracht – voor al die mooie muzikale en andere herinneringen die we van hem meedragen, stel ik voor dat we de dirigent, Guido Konings, nog een allerlaatste keer danken en eren met een staande ovatie.  

 

Kurt Feyaerts

Onze-Lieve-Vrouw van Troost, 10 februari 2016

 

Categorieën: Nieuws en andere weetjes

Tags: Guido Konings, Gedachtenprentje